De hausse aan kritische artikelen die de afgelopen maanden in de diverse media zijn verschenen over het zogenaamde Nieuwe Leren, het competentie-gerichte leren, het studiehuis en het wangedrocht dat VMBO heet, geeft uiting aan een wijdverbreid onbehagen over de stand van zaken in het Nederlandse onderwijs. Toch richt de kritiek zich voornamelijk op het ‘hoe’ van het onderwijs – de vermaledijde nieuwe didactiek van zelfstandig werken, projectmatig en probleemgestuurd onderwijs, werkstukken en posterpresentaties. Over het ‘wat’ van het onderwijs – het curriculum – blijven ook de kritikasters opvallend stil, zij het dat velen van hen zich storen aan de nadruk op vaardigheden ten koste van parate kennis. Maar over de belangrijkste vraag, waaróm geven wij onze kinderen onderwijs, lijken voor- en tegenstanders van het Nieuwe Leren opvallend eensgezind. Als de vraag al gesteld wordt, is het antwoord in negen van de tien gevallen dat het onderwijs onze kinderen moet voorbereiden op een plek in de samenleving en op democratisch burgerschap. Een enkele scribent laat zich het woord Bildung ontvallen, maar daar blijft het dan ook bij. Zowel zij die de nieuwe onderwijsmethodes hartstochtelijk promoten als zij die daartegen oppositie voeren denken daarom modern en niet klassiek, zoals een rondgang door Aristoteles’ Ethica en Politeia laat zien.
In zijn Ethica definieert Aristoteles het gelukkige leven als het goede leven. Het goede leven bestaat niet in het najagen van plezier en allerhande vormen van divertissement om onze ennui te verdrijven maar in het nastreven en praktizeren van de klassieke deugden. Omdat Aristoteles, in tegenstelling tot het moderne denken, het doel van ons leven glashelder weet te definiëren, kost het hem weinig moeite de ‘waarom-vraag’ van opvoeding en onderwijs te beantwoorden. Opvoeding en onderwijs zijn dienstbaar aan het deugdzame leven en zijn er daarom op gericht dat we het goede met vreugde doen en dat het kwade ons met pijn vervult. Niets is zo belangrijk, zegt Aristoteles in zijn Politeia, als dat we “de juiste oordelen vormen over en vreugde scheppen in deugdzame karakters en goede bezigheden.”
Aristoteles is realist genoeg om te weten dat we niet als deugdzame schepselen ter wereld komen. De natuur is op z’n minst onaf en sommige eigenschappen die we met onze geboorte meekrijgen “zijn ons vanaf het begin al niet behulpzaam”, zegt Aristoteles met gevoel voor understatement. Het doel van het onderwijs is in wezen dan ook niet anders dan het doel van alle kunsten, namelijk “het opheffen van de tekortkomingen van de natuur.” Dit is een heilzame correctie op het optimistische, Rousseauiaanse denken dat nog steeds met grote hardnekkigheid het moderne onderwijs als een zuurdesem doortrekt.
Voor Aristoteles ligt de ultieme bestemming van onze natuur in het cultiveren van de rede en het denken. Dat laatste betekent niet dat Aristoteles een rationalist is avant la lèttre. De rede verschaft ons juist het inzicht dat het gelukkige leven het goede leven is, zoals hij in zijn beroemde eerste boek van de Ethica op voorbeeldige wijze duidelijk maakt.
Als het gaat om de menselijke ziel, onderscheidt Aristoteles twee eigenschappen: de eerste is `intrinsiek rationeel’, de tweede heeft het vermogen om de ratio te gehoorzamen. Deze twee eigenschappen hebben uiteraard geen gelijke waarde. De natuur alsook de kunsten leren ons dat het mindere er altijd is ten behoeve van het meerdere. Het vermogen om te gehoorzamen is er daarom ten bate van datgene wat het gehoorzaamt. Het ‘lagere’ deel van de ziel verbindt Aristoteles in zijn Ethica met de morele deugden van moed en matigheid die zich voegen naar de stem van de rede. Maar ook het rationele deel van de ziel is volgens Aristoteles tweeledig: de rede is gedeeltelijk speculatief, gedeeltijk praktisch en alweer openbaart zich een hiërarchische rangorde. Het speculatieve vermogen leidt tot de contemplatie van de onveranderlijke en onvergankelijke dingen, het praktische vermogen doet ons nadenken over de dingen in ons leven die veranderlijk zijn.
Deze onderscheidingen van het zielenleven hebben direct betrekking op hoe wij ons leven leven.
Onderwijs en opvoeding dienen zich uit te strekken over al de geledingen van de ziel en de daaraan gerelateerde terreinen des levens, met dien verstande dat het hogere voorrang geniet boven het lagere en het doel boven de middelen. Het is waar dat niemand zich kan onttrekken aan werk en oorlogsvoering maar het is evenzeer waar dat iemand kan uitblinken in arbeid en oorlog maar in vredestijd en vrije tijd kan “vervallen tot het niveau van een slaaf.” De opvoeding richt zich dus op de gehele mens en niet – Aristoteles lijkt het in zijn Politeia niet vaak genoeg te kunnen benadrukken – zoals bij de Spartanen exclusief op het lichamelijke. De Spartanen zijn in vredestijd dan ook tot de ondergang gedoemd.
Het primaat in opvoeding en onderwijs ligt dus bij het ontwikkelen van het hoogste deel van de ziel – de speculatieve rede. En wij bezitten dit vermogen tot contemplatie niet om een beroep uit te oefenen of oorlog te voeren maar om onze vrije tijd naar waarde te kunnen invullen. Wil onze vrije tijd waardevol zijn, dan dienen we ons deugden als wijsheid, matigheid en rechtvaardigheid eigengemaakt te hebben. Zijn die deugden voorhanden, dan brengt vrije tijd genot, welzijn en geluk. En geluk is, zoals we eerder zagen, een doel in zichzelf. Hoewel Aristoteles in de Ethica een scherp onderscheid aanbrengt tussen genot en geluk, kan hij ze in de Politeia in één adem noemen omdat het hoogste genot het genot is van de mens met de grootste deugdzaamheid.
Wanneer het gaat over de concrete invulling van onze vrije tijd, beperkt Aristoteles zich tot muziek. Ongetwijfeld zal hij ook gedacht hebben aan lezen, filosoferen en het voeren van een goed gesprek, maar in de Politeia zwijgt hij daarover. Vrijetijdsbestedingen die in ieder geval niet in aanmerking komen, zijn die, die geen doel in zichzelf zijn en slechts gekwalificeerd kunnen worden als noodzakelijk en nuttig. Zulke aktiviteiten “belasten en verlagen de geest.” Muziek daarentegen brengt niet alleen genot en ontspanning, “ze zou eventueel beschouwd kunnen worden als een mogelijk invloed ten goede.” Aristoteles is in dezen opmerkelijk behoedzaam in zijn formulering maar muziek heeft het vermogen een bepaalde kleur, een bepaalde tint aan ons karakter en zielenleven te geven – zoals lichamelijke opvoeding een bepaalde stempel zet op ons fysiek – doordat ze ons gewent aan het ervaren van genot daar waar genot op z’n plaats is. En goedheid, aldus Aristoteles, is het ervaren van vreugde en genot in die dingen die deze ervaring verdienen. Muziek werkt in op onze ziel en reinigt onze emoties. Daarom moet ze onderdeel uitmaken van het curriculum opdat jonge mensen díe muziek leren waarderen die waardering verdient. Vandaar dat Aristoteles aanbeveelt jongeren zelf te leren musiceren en zingen opdat ze niet slechts content zullen zijn met de sensuele genoegens van muziek waaraan ook sommige dieren plezier beleven, net zoals bijna alle slaven en kinderen. Overigens is Aristoteles pragmatisch genoeg om de bevalligheid van muziek als pedagogisch ingrediënt te waarderen, hoewel alleen die melodieën die onze emoties vormen een onschuldige bron van genot zijn. Analoog aan zijn waardering van muziek is Aristoteles’ aanbeveling om – naast uiteraard lezen en schrijven – tekenen in het curriculum op te nemen omdat kinderen hierdoor oog krijgen voor “de schoonheid van vormen en figuren.” Alleen al vanwege de massale intrede van de massacultuur in het huidige onderwijs verdienen deze overwegingen van Aristoteles dubbele aandacht.
Één vraag is nog niet aan de orde geweest: hoe nemen we de opvoeding ter hand? Het is van fundamenteel belang te constateren dat bij Aristoteles de middelen van opvoeding en onderwijs naadloos aansluiten bij het doel ervan. “Bij het opvoeden van de jeugd sturen we hen met de roerbladen van genot en pijn.” Het zijn immers genot en pijn die de (on)deugdzaamheid van ons karakter bepalen. Omdat we niet kant-en-klaar als deugdzame mensen geboren worden, moet de ziel eerst gecultiveerd worden. Daartoe moeten we in eerste instantie de macht der gewoonte aanwenden. Kinderen moeten `gewoonten van edele vreugde en edele haat’ aangeleerd worden. Een beroep op redelijkheid volstaat niet, het kind wordt door hartstocht beheerst en wil van argumenten niet horen en als het ze hoort, zal het ze niet begrijpen. Het karakter van het kind moet daarom door ‘habituatie’ (hatelijk woord voor moderne onderwijskundigen) geleidelijk verwantschap gaan vertonen met de morele deugden. Discipline en matigheid zijn voor onze ‘rauwe natuur’ niet aangenaam maar ze zijn wel noodzakelijk wil het goede onze tweede natuur worden. Dan pas kan de ratio zich ontplooien, kunnen de emoties rijpen en leren we het nobele lief te hebben en het onedele te haten. De goede mens staat open voor argumenten, de slechte mens, slechts uit op genot, kan alleen, als ware hij een lastdier, gecorrigeerd worden door pijn.
Nu gaat het Aristoteles, zoals bekend, niet in de eerste plaats om het welzijn van het individu maar om het welzijn van de gemeenschap (de polis). Maar hierbij dienen we wel te beseffen dat alleen de góede mens het welzijn van de gemeenschap

2 reacties:
Bedankt voor de interessante informatie
A disco fudges on top of the accompanying adviser. How can the annoying treat shout underneath the ashcan? The mighty lion disguises ARISTOTELES EN DE KLASSIEKE OPVOEDING without the defending romantic. Why can't the shout quibble? ARISTOTELES EN DE KLASSIEKE OPVOEDING rivals any postponed rail throughout the double salt
Een reactie plaatsen