vrijdag 6 april 2007

Herman Bavinck en de godsdienstige opvoeding

Voor de gereformeerde theoloog en pedagoog Herman Bavinck was de theologie de koningin der wetenschappen. Voor hem geen kennis en wijsheid zonder de goddelijke openbaring. Deze openbaring brengt ons tot de belijdenis van God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde. “Deze belijdenis is niet alleen het eerste artikel van ons Christelijk geloof, maar ook de grondslag en hoeksteen van alle kennis en wetenschap”, zo stelt hij in zijn Christelijke wereldbeschouwing (1904). Ze waarborgt namelijk de harmonie van het kennende subject en het waargenomen object. Ons kennend vermogen vertoont dezelfde structuur als de geschapen werkelijkheid: “[d]e organen onzer waarneming zijn daarom krachtens den gemeenschappelijken oorsprong verwant aan de elementen, waaruit het gansch heelal is samengesteld en doen ons, elk voor zich, de wereld kennen op een bijzondere wijze en van een bijzondere zijde. In elk van deze woont een specifieke energie, maar eene energie, die correspondeert aan de onderscheidene werkingen, die van de objectieve wereld op de zintuigen uitgaan.” (Wie meer wil weten over Bavincks opvatting inzake de relatie tussen kennis en werkelijkheid leze zijn in 1908 gehouden Stone-lezingen aan de universiteit van Princeton, naderhand gepubliceerd onder de titel Wijsbegeerte der openbaring.)


Bavincks epistemologie vormt niet alleen ‘de grondslag en hoeksteen’ van zijn theologie maar ook van zijn pedagogiek. Helaas is Bavinck als pedagoog min of meer in de vergetelheid geraakt. Tekenend in dit verband is de bundel Ontmoetingen met Bavinck (2006) waarin Bavinck in al zijn veelzijdigheid wordt belicht, behalve als pedagoog. Dat valt te betreuren omdat juist op het snijvlak van theologie en pedagogiek Bavinck bijzonder waardevolle gedachten heeft ontwikkeld.


Ik werd daar onlangs aan herinnerd bij het lezen van De Opvoeding der rijpere jeugd (1916) waarin Bavinck een dertigtal bladzijden wijdt aan wat hij noemt ‘de godsdientig-zedelijke opvoeding’. Zoals de theologie de koningin der wetenschappen is zo maakt religie hart en ziel van de opvoeding uit. Zonder godsdienst verliezen natuur en geschiedenis hun waarde en de moraal haar grondslag. Wie het kind een godsdienstige opvoeding onthoudt, pleegt roofbouw op zijn zielenleven: “Er is toch geene macht, die, zoals den godsdienst, de diepten des gemoeds beroeren en de teederste aandoeningen opwekken kan; het menschelijk hart blijkt juist in den godsdienst daarvoor vatbaar te zijn en daaraan behoefte te hebben. Wie dus den godsdienst verloochent, stopt de bron voor het innerlijkste en innigste leven der ziel; hij laat een uitgestrekt gebied in zijn inwendig leven onontgonnen en braak liggen.” Het citaat geeft treffend weer hoe een reductionistische levens- en wereldbeschouwing een uitgeklede mensvisie tot gevolg heeft. Toch zijn de ‘zielsbehoeften’ voor Bavinck niet het fundament van de godsdienstige opvoeding. Dat zou al te utilistisch zijn. De ‘dieptste bestaansgrond van den godsdienst’ ligt niet in de mens maar in het gebod Gods: Gij zult de Heere uw God liefhebben met geheel uw hart, met geheel uw ziel, met geheel uw verstand en met alle krachten. Zo verankert Bavinck de godsdienstig-zedelijke opvoeding in de soevereiniteit Gods die aan alle menselijke behoeften en verlangens voorafgaat.


Het verrast dan ook niet wanneer Bavinck opmerkt dat ‘de allereerste aanvangen’ van het godsdienstige en zedelijke leven voor ons verborgen zijn. Het religieuze leven gaat meestal diep achter ons bewustzijn terug. “Er is inderdaad ook een godsdienstige aanleg, een ‘zaad der religie’, dat ieder mensch in zijn ziel meebrengt; Tertullianus zeide daarom, schoon met enige overdrijving, dat de ziel van nature Christin is.” Het zaad dient natuurlijk te ontkiemen en daarvoor is een vruchtbare bodem nodig. Het spraakvermogen krijgen we met onze geboorte mee, de taal leren we van onze moeder. Zo kan het ‘zaad der religie’ slechts ontkiemen in een religieuze omgeving en daarbij spelen de ouders een beslissende rol.


Bij de ontwikkeling van de religieuze aanleg onderscheidt Bavinck drie facetten. In de eerste plaats zijn er de ervaringen van het kind zelf. Hoewel de ouders in het leven van het jonge kind een grote plaats innemen, bemerkt het al snel dat ook zij beperkt zijn en dat zij tegen ziekte en dood niet opgewassen zijn. “Zoo breidt het gevoel van afhankelijkheid, dat aan het kind van nature eigen is, en juist in het kinderlijke leven zoo groote plaats inneemt, zich van zelf uit, van zijne ouders tot eene andere, hoogere macht, die onzienlijk en onbekend is.” Dit afhankelijkheidsgevoel is diffuus van aard en daarom moet het – en dit is het tweede facet – door de ouders in een bepaalde richting worden geleid. Nu zullen de godsdienstige voorstellingen van het kind altijd een kinderlijke voorstelling aannemen omdat het kind de religie met zijn fantasie benadert. Het antropomorfe karakter van deze voorstellingen waardeert Bavinck echter positief. Juist daardoor draagt de verhouding van het kind tot God een vertrouwelijk karakter: “ze is meer eene verhouding van vertrouwen en liefde, dan van angst en vrees.” De religie van het kind is en blijft kinderlijk “en dat moet ze zijn, om waar te wezen.” “Wie deze kinderlijke naïveteit in den naam van zijn gezond verstand zou willen veroordelen, zou even dwaas doen als wie er het kind een verwijt van wilde maken, dat het de klanken onzuiver uitspreekt, haspelt met den zinsbouw en ieder oogenblik zondigt tegen de regels der grammatica.” Het kind mag dan ook geen ervaringen opgedrongen krijgen die het niet doorleven kan. Ten derde wordt de godsdienstige aanleg ontwikkeld door het voorbeeld dat kinderen instinctmatig navolgen. Het kind ziet en hoort zijn vader en moeder bidden en psalmen zingen en proeft hun eerbied voor het heilige. Zo leert het onderscheiden tussen het godsdienstige en het alledaagse.


Wat in de kinderjaren nog onbetwistbaar en vanzelfsprekend is, is het tijdens de puberteitsjaren allerminst. Het kind wordt zich bewust van zijn eigen individualiteit en leert de wereld met eigen ogen bezien. Ook de religieuze voorstellingen en ervaringen die het kind heeft opgedaan, worden tegen het licht gehouden. “De traditie uit het verleden wordt dus als het ware door het heden ter verantwoording geroepen; de vrijheid laat zich gelden tegenover het gezag; de zelfstandigheid maakt tegenover de afhankelijkheid op hare rechten aanspraak.” Het is tekenend dat Bavinck de puberteit niet plaatst in het teken van de zondeval. Ondanks dat hij weldegelijk het gevaar ziet dat de geloofsindrukken uitgewist kunnen worden door seculiere twijfel en vleselijke lusten, waardeert hij de puberteit positief: het is een natuurlijk proces “dat in de ontwikkeling van al het geschapene is gegrond.” Alleen zo kan het kind volwassen worden en kan het kinderlijk religieuze rijpen tot een persoonlijk geëigend geloof.


Zoals de bestaansgrond van de godsdienstige opvoeding ligt in het gebod Gods, zo vindt de werkelijkheid van deze opvoeding haar fundament in de belofte Gods. Ook in dezen redeneert Bavinck dus theocentrisch. De godsdienstige-zedelijke opvoeding begint reeds voor de geboorte! Ze “vangt aan in het gebed der ouders, dat God hun kind in genade moge aannemen en dit bekrachtige door den doop. Het kind van Christenouders komt dus niet arm, maar rijk in de wereld, want door den doop als zegel van Gods verbond staat het in beginsel in de rechte verhouding tot God en zijne gemeente, en dus ook tot alle schepselen en tot heel de wereld; het moet alleen in die verhoudingen meer en meer ingroeien en zelfstandig positie nemen.” Opnieuw treedt hier het ‘einheitliche’ in Bavincks denken voor het voetlicht, gegrond als het is in de soevereiniteit Gods en de verbondsmatige structuur van de werkelijkheid.


Van hieruit keert Bavinck zich tegen het Methodisme – ik verbeeld mij dat hij zich impliciet ook keert tegen het Piëtisme – dat het zicht op de natuurlijke, scheppingsmatige verhoudingen heeft verloren. Het – terechte – verzet van de Methodisten tegen “het vadsige en gemakzuchtige conservatisme der kerken” leidde hen ertoe “Gods verbond en doop te miskennen, de Christelijke opvoeding waardeloos te achten, Christenkinderen te beschouwen en te behandelen als heidenkinderen; en om positief ernaar te streven, door eene bepaalde ‘methode’, in eene geweldige boetprediking, in eene zenuwschokkende revivalmeeting, plotseling, in één enkel oogenblik te weeg te brengen, wat de kerk steeds op grond van Gods belofte in den weg eener langjarige godsdienstig-zedelijke opvoeding had trachten te bereiken.” Ik laat nu een lang citaat volgen waarin Bavinck het verbondsmatige van de godsdienstige opvoeding verder uitwerkt, een citaat dat ook een waardevolle – meer praktische – aanvulling is op wat Bavinck in zijn Gereformeerde dogmatiek over het verbond te berde brengt:

De christelijke kerk heeft steeds eene andere en betere wijze van opvoeding betracht. Zij onderscheidde n.l. al zeer spoedig tusschen wedergeboorte en bekeering, tusschen doop en belijdenis. In wedergeboorte en doop is het kind passief, het ontvangt allerhande gaven en krachten en leeft van gegeven. Maar die gaven en krachten heeft het kind, onder leiding van anderen (gezin, kerk, school) zich toe te eigenen, en te leeren gebruiken, opdat het daarna, tot de jaren des onderscheids gekomen, zelfstandig kunne optreden en in vrijheid zijn eigen weg kunne gaan. Dit is de natuurlijke gang van het leven; zoo vat ieder de taak der opvoeding in het gewone leven op; en daarbij, dat is bij zijn eigen werk en gang in de natuur, sluit God zich ook in het geestelijke aan. Hij geeft eerst, mild en oovervloedig, opdat Hij daarna eischen kunne; Hij wil niet maaien, voordat Hij eerst gezaaid heeft; maar daarna komt Hij ook weder, om de talenten, die Hij toebetrouwde, met woeker terug te ontvangen.
Daaruit vloeit nu ook in de Christelijke kerk eene opvatting van de bekeering voort, die grootelijk van die in het Methodisme verschilt. Zij verstaat daar niet eene gebeurtenis door, die eene plotselinge, totale breuk met het vorige leven is en een revolutionair karakter draagt. Maar bekeering is voor haar in den regel, dat is bij de kinderen des verbonds, de openbaring van het langzaam zich ontwikkelend leven der wedergeboorte, het openbreken van de knop, die bloesem en vrucht verborgen houdt, de vrije aanvaarding van hetgeen het kind eerst onbewust uit genade ontving, de inwilliging van den eisch des verbonds, welke de gave des verbonds onderstelt. Ook hier is een merkwaardige analogie tusschen het natuurlijke en het geestelijke (…); zooals de knaap en het meisje in de puberteitsjaren overgaan in de periode van den wordenden man en vrouw, zoo ook worden zij in dezen leeftijd geestelijk rijp, om als ‘geestelijke’ menschen op te treden, en tegenover de wereld als belijders van den Christus partij en positie te kiezen.
Natuurlijk sluit dit alles niet uit, dat God met sommige personen en in bijzondere omstandigheden ook andere wegen kan gaan; Hij kan een zondaar rukken als een brandhout uit het vuur en iemand plotseling midden uit de wereld overbrengen in de gemeente zijns Zoons. Maar regel is dit niet; de eisch, dat iemand eene bekeering doormake als Paulus en Luther, is niet in overeenstemming met de orde, welke God zelf in den regel, zoowel in het natuurlijke als het geestelijke, in acht neemt. Wijl beide natuur en genade zijn werk zijn, ligt het voor de hand, dat Hij tusschen beide verband legt, zijn werk in de schepping aan zijn werk in de herschepping dienstbaar maakt, en bij de wijze der bekeering zelfs met de individualiteit rekening houdt. Naar karakter en temperament verschilt ook de wijze, waarop iemand tot bekeering komt. Verstandsmenschen zullen haar anders doorleven dan menschen met een indrukkelijk gemoed of een sterken wil. Wij moeten het dragen en er ons over verheugen, dat het koninkrijk der hemelen aan een Jakobus naast een Paulus plaats biede. En zoo is nu in het algemeen bij de kinderen des verbonds bekeering de vrucht van een in den weg eener godsdienstig-zedelijke opvoeding tot ontwikkeling gekomen leven der wedergeboorte.

De analogie tussen het natuurlijke en het geestelijke die bij Bavinck met grote regelmaat terugkeert, stelt hem in staat de eenheid tussen natuur en genade te bewaren. De herschepping, zo zegt hij in zijn Christelijke wereldbeschouwing, doet de natuur niet te niet maar herstelt haar in haar oorspronkelijke luister. Wie dit evenwicht verliest, komt als vanzelf terecht in de revolutionaire vaarwateren van horizontalisme of piëtistische overgeestelijkheid. Verkiezing en verbond, wet en evangelie, lichaam en geest, schepping en herschepping vormen bij Bavinck geen tegenstelling, ze slokken elkaar ook niet op, maar vinden hun eenheid in God die zowel in het rijk der natuur als in het rijk der genade zich openbaart. Christelijke opvoeders verliezen daarom de werkelijkheid van het verbond uit het oog wanneer zijn hun kinderen beschouwen als heidenen, “die op geforceerde manier tot bekeering moeten worden gebracht.” Zij ontkennen daarmee de organische wijze waarop Gods heil zich in de wereld verwerkelijkt. Daarmee ontnemen zij zichzelf en hun kinderen de werkelijkheid en mogelijkheid van een christelijke levensbeschouwing die het leven in al zijn rijkdom omvat.
Wat Bavinck in zijn bespiegelingen omtrent de godsdienstig-zedelijke opvoeding laat zien is dat als de theologie de koningin der wetenschappen is, zij geen despotisme uitoefent maar juist de voorwaarden schept waarbinnen de pedagogiek – en alle andere kunsten en wetenschappen – tot volle bloei kunnen komen. Waar dat niet het geval is, breekt de revolutie uit. Daarom: tegen de revolutie de openbaring!